Waarom aandacht voor betrokkenheid en draagvlak?

14 juni 2017

 

  • Waarom zijn betrokkenheid en draagvlak belangrijk?
  • Hoe zijn betrokkenheid en draagvlak te bevorderen?
  • Wat moet daarvoor gebeuren?
  • Verder lezen?

 

Waarom zijn betrokkenheid en draagvlak belangrijk?

De kans op een effectieve curriculumontwikkeling wordt groter als dat gebeurt in samenwerking met en instemming van alle belanghebbenden. In curriculumontwikkeling spelen verschil in ervaring, inzicht en opvatting altijd een rol. Om met succes vorm te geven aan een nieuw gedeeld perspectief is het nodig aandacht te schenken aan deze verschillen. Oog hebben voor en het overbruggen van deze verschillen heeft gevolgen voor de betrokkenheid bij en het draagvlak voor vernieuwingen. Om verschillen te overbruggen is het belangrijk om de professionele ruimte en verantwoordelijkheid van iedere betrokkene te erkennen. Instemming moet niet verkeren in ontstemming. Als er grote verschillen bestaan over welke de belangrijke ontwikkelingen belangrijk zijn, en wat daarvan de consequenties voor het curriculum moeten zijn, helpt het om doelgericht te investeren in effectieve samenwerking.

Hoe zijn betrokkenheid en draagvlak te bevorderen?

Bij curriculumontwikkeling zijn nogal wat betrokkenen van elkaar afhankelijk: managers, docenten, studenten en vertegenwoordigers van beroepenveld. Of de leden van een Curriculum Commissie, een Examencommissie, diverse werkgroepen, onderwijskundige adviseurs en de facilitaire diensten.

Het is niet mogelijk om een eenvoudig recept te geven voor het bevorderen van betrokkenheid. Verschillende voorwaarden zijn in het geding:

  • Docenten zijn vaak initiatiefnemer voor curriculumontwikkeling. Hun visie op goed onderwijs afgezet tegen hun ervaringen in de eigen onderwijspraktijk spelen een niet te onderschatten rol bij een initiatief tot curriculumontwikkeling. Belangrijk is om voldoende ruimte te bieden aan deze initiatieven.
  • De betrokkenheid van studenten blijkt te worden vergroot als deze vanuit hun leerbehoeften mee kunnen denken over didactiek, onderwijsmethoden binnen het proces van curriculumontwikkeling. Betrokkenheid van studenten bij de leeromgeving verhoogt de effectiviteit van studeren.
  • Er zijn veel manieren en momenten om het beroepenveld, als afnemer van gediplomeerden, te betrekken bij curriculumontwikkeling. Participatie van het beroepenveld bij curriculumontwikkeling gebeurt weinig systematisch. Doorgaans wordt het beroepenveld alleen voor grote innovaties geconsulteerd. De vraag is of dit niet anders zou moeten.
  • Voor opleidingsmanagers is het uitdragen van de nieuwe inzichten rond curriculumontwikkeling een belangrijke taak. Daarnaast is het hun taak om de curriculumontwikkeling in goede banen te leiden. Daartoe dienen ze voldoende middelen beschikbaar te stellen en te beoordelen of die middelen effectief worden ingezet. Deze vorm betrokkenheid is een voorwaarde tot succes.

Wat moet daarvoor gebeuren?

In het ideale geval zijn betrokkenheid en draagvlak vanaf het begin aanwezig. Dat is echter lang niet altijd het geval, of ook niet altijd mogelijk. Sommigen pleiten ervoor om in het begin veel aandacht te besteden aan het gezamenlijk opbouwen van een visie. Anderen pleiten voor een meer top-down benadering. In elk geval zou men op basis van een gedeelde visie verder kunnen werken aan het ontwerp, de vormgeving, de uitvoering en de evaluatie. Voor deze vervolgfasen wordt de nadruk gelegd op het belang van een procesmatige aanpak. Daarbinnen is er voortdurend aandacht nodig voor bestaande kennis en ervaring, verschillen in inzicht, mogelijke conflicten, de heersende cultuur, de verschillende leiderschapsstijlen en oog ontwikkelen voor de praktische gevolgen van de vernieuwing.

Binnen het hbo is meestal in lijnfuncties en commissies geformaliseerd hoe curriculumontwikkeling zijn beslag krijgt. Dat maakt dat curriculumontwikkeling een projectmatige grondslag kan krijgen, waarin de verschillende elementen van ontwerp tot en met evaluatie systematisch worden gepland.

TIP: Elke curriculumontwikkelaar heeft zicht nodig op wie de belanghebbenden bij het vernieuwingsproces zijn. Als dit niet meteen duidelijk is, kun je daarvoor de sneeuwbal-methode toepassen. Praat met een van de betrokken collega’s en breng samen met hem andere betrokkenen in kaart. Vraag vervolgens deze over hun belang bij de gewenste vernieuwing en dat van anderen. Door mensen vanaf het begin te betrekken, tackle je kritische vragen, vind je meedenkers en ontmoet je enthousiasme.

Verder lezen?

O’Neill, G. (2015). Curriculum Design in Higher Education: Theory to Practice. Dublin: UCD Teaching& Learning.

Een boek gebaseerd op een model met stappen voor curriculum ontwikkeling. Het boek geeft naast een model ook mogelijke literatuur weer per stap. Het model vormt tevens het uitgangspunt voor dit boek.

www.sharedvisionplanning.us/tools.cfm

Een bron op internet over methode, tips en tools voor het creëren van een gemeenschappelijke visie. De methode gaat uit van 7 stappen. Deze bron is gebaseerd op een vierjarige studie bij water management. Het rapport van de studie is online te vinden.

Könings, K.D., Brand-Gruwel, S., & Van Merriënboer, J.J. (2007). Teachers’ perspectives on innovations: Implications for educational design. Teaching and teacher education, 23(6).

Het COOP model is handzaam m.b.t. het combineren van verschillende stakeholder perspectieven.De kans op succes van een curriculumvernieuwing kan voorspeld worden door de perspectieven van alle belanghebbenden inzichtelijk te maken en te combineren. Het COOP model biedt hierbij handvatten.

Jong, M-J de, Kips, M. (2005), Van instemming naar ontstemming? Docenten over de invoering van het studiehuis, in: Veugelers, W., Bosman, R., De strijd om het curriculum. Onderwijssociologische perspectieven op inhoud, vorm en zeggenschap, Antwerpen – Apeldoorn: Garant Publishers

Loo, H. v. d., Geelhoed, J., & Samhoud, S. (2007), Kus de visie wakker. Organisaties energiek en effectief maken (2012 ed.), Amsterdam: Academic Service.

Simon, F. (2004). Management van onderwijsvernieuwing Van taak tot competentie. ‘Leren leren’ voor het hoger beroepsonderwijs. . Houten Antwerpen: Bohn Stafleu Van Loghum. (pp. 171 – 198)

Stark, J. S. (2000). Planning introductory college courses: Content, context and form. Instructional Science(28), (pp. 413-438).

Verharen, M. (2008). Cultuur. In M. Verharen (Ed.), Als alles op de schop gaat. Een onderwijsbiografie over een integraal veranderingsproces, Houten: Bohn Stafleu van Loghum, (pp. 157-177).

Visscher-Voerman, I., & Gustafson, K. L. (2004). Paradigms in the theory and practice of education and training design. Educational Technology Research and Development, 52(2), (pp. 69-89).

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *